PARTIËLE
PANCREATODUODENECTOMIE (WHIPPLE; IN PRINCIPE PYLORUSSPAREND)
Indicaties
< Maligne duodenum tumor
< Papilcarcinoom, distaal choledochuscarcinoom
< Pancreaskopcarcinoom
<
Cysteuze pancreaskop tumoren
(cystadenoom/adenocarcinoom)
< (Trauma)
< Uitzonderlijk:
chronische pancreatitis.
Pre-operatieve voorbereiding
< Screeningsonderzoek
volgens ASA-classificatie
< Stollingsonderzoek
(zie hoofdstuk 1.5)
< Vitamine
K minimaal 2 x per week bij aanwezigheid icterus
< Pre-operatief
avond voor operatie subcutaan octreotide
< Profylactisch
antibiotica. (Zie: schema antibioticaprofylaxe)
<
Pre-operatieve
galwegdrainage alleen bij ernstige obstructie (bilirubine > 250 mmol/l).
Operatietechniek
1e deel: PARTIËLE RESECTIE MAAG / DUODENUM / PANCREASKOP
< Dwarse
bovenbuiksincisie ruim naar lateraal verlengd, doornemen van het lig. teres
hepatis. Inspectie buik voor metastasen op afstand.
< Allereerst
wordt middels een Kocherse manoeuvre het duodenum gemobiliseerd.
< De
pre-aortale klieren worden verwijderd; eventueel vriescoupe onderzoek.
< Identificeren
van de a. hepatica, de a. gastroduodenale en de v. portae in het ligament.
Verder vrijprepareren van de choledochus naar het duodenum toe. De vena portae verder
vrijprepareren tot onder het pancreas. Al het weefsel retroperitoneaal gelegen
ventraal van de vena cava inferior valt binnen het resectiepreparaat.
< Identificeren
van de a. gastroduodenalis, doornemen en ligeren waarna het duodenum verder
naar caudaal gemobiliseerd kan worden.
< De
grote curvatuur van de maag wordt niet geskeletteerd: De bursa omentalis wordt
vanuit de rechter zijde geopend er zorgvuldig op lettend dat de a.
gastroepiploïca dextra niet geledeerd wordt.
< Identificeren van de v. mesenterica
superior. Deze vervolgen tot ver onder de pancreas
< Nu
kan definitief de resectabiliteit beoordeeld worden: Confluens ligt los, a.
mesenterica superior kan (vrij van de tumor) gepalpeerd worden. Overgegaan
wordt tot resectie:
< Vrijprepareren
galblaas. Vrijprepareren en vervolgen van de choledochus rondom en dwars
klieven waarna de duodenale zijde van de choledochus wordt gesloten. Een circulaire
cuff wordt ingestuurd voor vriescoupe-onderzoek en een infuus-systeem wordt
ingebracht in de ductus hepaticus, of een bulldog geplaatst
De a.
gastro-epiploica dextra wordt nu op de pancreaskop doorgenomen Het duodenum
wordt een drietal centimeters voorbij de pylorus rondom vrijgelegd en met
behulp van de lineaire stapler doorgenomen zodanig dat ongeveer 2 cm van het
duodenum blijft staan.
<
Indien mogelijk het duodenum
vanuit de rechter zijde mobiliseren en met de stapler klieven aan de rechter
zijde. Klieven van het pancreas. Evt. stapsgewijs de takjes van v. portae en v.
mesenterica superior doornemen en ligeren. De vena portae zo kaal mogelijk
achterlaten. De v. portae nu naar links houden waardoor de processus uncinatus
zichtbaar wordt. Identificeren en vrijleggen van de a. mesenterica superior.
Vervolgens wordt het retroperitoneale weefsel zo ruim mogelijk verwijderd
tussen klemmen waarmee de resectie geschied is.
< Het
preparaat wordt gemarkeerd met kralen bij de v. portae, de a. en v. mesenterica
superior, de choledochusstomp en het pancreas-resectievlak.
Indien pylorussparende procedure niet
mogelijk is wordt een partiële 2/3 maagresectie verricht (standaard Whipple-procedure)
2e deel: RECONSTRUCTIE VAN DE TRACTUS DIGESTIVUS
< De
opgehaalde jejunumlis wordt isoperistaltisch gehecht aan de ductus pancreaticus
en vervolgens aan de ductus hepaticus doorlopend met PDS 3 x 0. Eventueel kan
een galwegdrain worden ingebracht, die uitgeleid wordt via de lever of via de
jejunumlis en door de hepatico-jejunostomie wordt gelegd.
< Vervolgens
wordt via een apart venster in het mesocolon transversum de gastro-enterostomie
of de duodeno-jejunostomie aangelegd.
< Alleen
bij ernstig preoperatief gewichtsverlies (>10-15%) wordt et t.b.v. de
post-operatieve voeding wordt een naald-jejunumfistel aangebracht.
< Een
abdominale drain wordt bursa omentalis achter de hepaticojejunostomie langs
gelegd en via een aparte steekopening uit de buik geleid.
< Hierna
wordt de buik in lagen gesloten. De huid intracutaan.
Post-operatief beleid
< Maaghevel
wordt op geleide van productie verwijderd. Bij pylorussparende ingreep is dit
vaak wat later den bij de standaard Whipple.
< Gedurende
7 dagen 3xdd 100 mg Octreotide s.c.
Drains
< galwegdrain
verwijderen na minimaal 4 weken, evt. na contrastfoto via de drain.
< Abdominale
drain verwijderen na 7e dag indien er geen amylase in drainvocht
gevonden wordt.
Verdere opmerkingen
In het algemeen ontstaat er geen diabetes
mellitus. Pancreasinsufficiëntie wordt meestal in de poliklinische fase
bemerkt. Het is daarom niet noodzakelijk direct post-operatief extra
pancreasenzymen toe te dienen.
Prognose
< Voor
het ampullaire cacinoom: 5-jaars overleving 40 - 60%.
< Voor
het distaal galwegcarcinoom en het pancreaskopcarcinoom:: 5-jaars overleving
resp. 25% en 10-15%. Het streven is naar een partiële pancreatico-duodenectomie
en slechts bij hoge uitzondering, indien de anastomose op de ductus
pancreaticus werkelijk niet veilig te leggen is, een totale pancreatectomie.
< Bij
een IMPT (intraductale muceuze pancreas tumor) is totale pancreatectomie te
overwegen (afhankelijk aantal lesies)
HEPATICOJEJUNOSTOMIE +
GASTRO-ENTEROSTOMIE + PLEXUS COELIACUS BLOKKADE
Indicatie
< Indien
bij laparotomie metastasen op afstand worden aangetoond, dan wel locale
tumor-doorgroei bestaat.
< Bij
falende endoprothese c.q. optreden duodenumobstructie.
Techniek
Zie eerder in dit hoofdstuk.
LOCALE EXCISIE PAPIL VAN
VATER
Indicaties
< Benigne
papiltumoren, meestal adenomen. Cave: (perifeer) biopt, waarin
epitheeldysplasie wordt gezien, sluit centraal carcinoom niet uit!
Procedure
< subcostale
incisie rechts
< mobiliseren
duodenum
< lokaliseren
papil in verticaal gedeelte duodenum: meestal is de tumor door de wand heen te
palperen; bij onzekerheid over lokalisatie kan (na cholecystectomie) een
Fogarty balloncatheter via de d. cysticus worden opgevoerd door de d.
choledochus en papil
< duodenum
tussen teugels, in lengterichting openen
< hulphechting
onder de tumor door de duodenumwand steken waarmee de papil kan worden
opgetrokken
< mucosa
diathermisch van de onderlaag losprepareren, craniaal beginnen, waarbij eerst
de d. choledochus wordt tegengekomen. Met hechting aanhaken. Idem van distaal
uit, waarbij de d. pancreaticus wordt vrijgeprepareerd. Door tractie kan het
gehele papilgebied worden opgetrokken en geëxcideerd (met medenemen van 2 cm
distale d. choledochus en d. pancreaticus) (altijd vriescoupe preparaat)
< stoma's
d. choledochus en d. pancreaticus verbinden met aantal geknoopte vicryl 4 x 0
hechtingen (nieuw tussenschot)
< rondom
inhechten in duodenumwand met geknoopt vicryl 4 x 0; mucosa aansluiten
< duodenum
dwars sluiten.
<
Indien middels vriescoupe
toch een maligniteit wordt aangetoond volgt in dezelfde zitting een PPPD