OESOFAGUS-CARCINOOM
Het cbo heeft in januari 2005 nieuwe richtlijnen opgesteld voor de
diagnose en behandeling van het oesofagus carcinoom
(www.cbo.nl
/
www.oncoline.nl
).
Patiënten met een maligniteit van de oesofagus of de
gastro-oesofageale overgang komen slechts voor operatieve therapie in
aanmerking wanneer de operatie in opzet curatief kan zijn. Voorwaarden hiervoor
zijn: stadium pre-operatieve analyse maximaal T3 en geen metastasen op afstand
(zie hiervoor pre-operatieve work-up).
Palliatie / Inductie
In de palliatieve sfeer kan afhankelijk van de aard en
uitgebreidheid van de tumor en de verwachte prognose quoad vitam gekozen worden
uit verschillende opties:
inductie-chemo therapie (down-staging van tumor) bij het
(proximale) maagcarcinoom of een gastro-oesofageale overgangstumor.
bij T4 tumor
eventueel inclusie in de T4 studie voor palliatieve chemo-radiotherapie zonder
chirurgie
brachytherapie
stenting
Uit de SIREC studie blijkt dat brachytherapie (enkele dosis)
betere resultaten laat zien dan stent plaatsing. De brachytherapie werkt minder
snel dan stent plaatsing, maar het effect houdt langer aan en er zijn minder
complicaties. Bij patiënten met een geschatte levensverwachting van minder dan
3 maanden wordt de voorkeur gegeven aan stenting (Homs et al).
Pre-operatieve analyse
analyse operabiliteit (ECG, X-thorax, lab, longfunctie; icc
cardioloog/longarts op indicatie)
endoscopie + biopsie (biopten van elders opvragen voor
revisie)
endo-echografie (eventueel cytologische punctie van klieren)
uitwendige echografie van hals en eventueel cytologische
punctie
CT-hals/thorax/abdomen (3mm coupes)
indien de tumor zich ter plaatse of proximaal van de carina
bevindt: bronchoscopie ter uitsluiting van tumor ingroei
indirecte laryngoscopie ter beoordeling van de stembanden
laparoscopie in geval van een cardia-carcinoom (peritoneale
of levermetastasen)
Neo-adjuvante behandling behandeling
chemo-radiotherapie wordt volgens de huidige richtlijnen
niet standaard gegeven (www.cbo.nl). Wel loopt er een gerandomiseerde
studie waarin het effect van neo-adjuvante chemo-radiotherapie wordt onderzocht
(CROSS-trial). In de behandel arm van deze studie wordt eveneens de accuratesse
van de PET-scan en de CT-scan bij het (vroeg) voorspellen van de respons
onderzocht (NEOPEC studie).
Voor patienten die niet in aanmerking komen voor de CROSS
trial is het mogelijk in onderzoeksverband chemo-radiotherapie te geven in
combinatie met hyperthermie (alleen indien de tumor zich distaal van de carina
bevindt).
Pre-operatieve voorbereiding
darm voorbereiding alleen indien er een substantiële kans
bestaat op een colon interpositie (zie hoofdstuk 2).
ademhalingsinstructies door fysiotherapeut
bij transhiatale benadering: lijnen en infusen links; bij
transthoracale benadering lijnen en infusen rechts.
epidurale pijnstilling (NB bij niet werkende epiduraal is de
postoperatieve mortaliteit verhoogd! Cense et al)
op indicatie dubbel lumen tube
antibiotica tijdens inleiding, zo nodig na enige uren
herhalen (zie hoofdstuk 2.2)
Operatieve techniek bij transhiatale resectie:
positionering voor trio-benadering (patient op linker bil;
korrelmatras en evt steunen. Abdomen, thorax en hals rechts steriel afgedekt).
mediane bovenbuikslaparotomie
zorgvuldige inspectie en palpatie van de gehele buik
(afstands metastasen?)
mobilisatie laterale segment van linker leverkwab
skeletteren van grote curvatuur met sparen van de a. en v.
gastro-epiploïca dextra.
milt blijft in situ (vasa brevia in milthilus doornemen)
openen hiatus en doornemen diafragma vene
openen diafragma naar rechts-anterieur
transhiatale mobilisatie van oesofagus (en peri-oesofageale
weefsel) tot proximaal van tumor; op indicatie antero-laterale thoracotomie
creëren buismaag met stapler: overhechten stapler-naad
halsincisie (voorzijde m. sternocleidomastoideus)
zo nodig ontkoppelen sternale kop m. sternocleidomastoïdeus
lateralisatie grote vaten.
teugelen cervicale oesofagus
plaatsen vene-stripper en doornemen oesophagus
strippen van thoracale oesofagus proximaal van tumor
thoraxdrain links en rechts
doorhalen van buismaag naar hals (in principe in achterste
mediastinum; retro-sternaal indien R2 resectie)
verkleinen hiatus
oesofago-gastrostomie end to end, doorlopend met PDS 3 x 0
buismaagsonde
sluiten halsincisie (alleen huid)
naaldjejunostomie
Operatieve techniek bij transthoracale resectie:
positionering op li zijde (korrelmatras en evt steunen)
dubbel lumen tube
laterale thoracotomie ICR IV-V
losmaken long adhesies
collaps re long
mobilisatie long (lig. pulmonum inferius)
proximaal identificatie en doornemen vena azygos
vrijprepareren anterieure zijde oesofagus met
para-tracheale, sub-carinale en para-oesofageale klieren
vrijprepareren posterieure zijde oesofagus met
para-oesofageale klieren en doornemen intercostale venen naar vena azygos
(clips)
doornemen arteriele takken uit aorta naar oesofagus (clips)
identificatie proximale ductus thoracicus en evt canulatie
(tbv onderzoek), ligeren en doornemen
ligeren van vena azygos distaal
distaal (tpv diafragma) prepareren naar oesofagus toe en
ligeren en doornemen ductus thoracicus in omgevend vetweefsel (hechting lang
laten ter herkenning bij eventuele reinterventie)
uitruimen lymfklieren aorto-pulmonale venster op geleide van
de linker n. vagus
plaatsen thoraxdrain basaal rechts
plaatsen 3-tal dubbele vicryl hechtingen om ribben ter
approximatie ribben
sluiten spierlagen en huid
vervolgens wordt patient gedraaid op zijn/haar rug, waarna
het buikdeel geschiedt als bij de transhiatale procedure
hals eveneens als bij tranhiatale procedure; echter nu links
(technisch iets beter te bereiken en er wordt voor buik/hals deel toch opnieuw
afgedekt; bovendien minder kans op dubbelzijdige stemband paralyse)
thoraxdrain basaal links (ATLS methode)
Post-operatieve maatregelen
cito X-thorax
pas extuberen op IC na gecontroleerd weanen, zo mogelijk op
avond van operatie
in verband met hoog-cervicale naad wordt na extubatie niet
endotracheaal uitgezogen
bed in anti-Trendelenburg (risico van aspiratie)
enterale voeding (Nutrison) via jejunumfistel starten op 2de dag
in oplopende dosis tot 2000 cc per 24 uur, na uitgebreide transthoracale
procedure wordt jejunum fistelvoeding enige dagen uitgesteld (met name in geval
van hoge productie thoraxdrains)
maagsonde en thoraxdrain verwijderen bij geringe productie
(zie hoofdstuk 2.13)
7e of 8ste dag: slikfoto; indien geen lekkage,
starten met orale voeding
stembandcontrole (vaak pas poliklinisch)
jejunum-catheter verwijderen bij sufficiënte orale intake
(vaak pas poliklinisch)
1ste poliklinische controle ongeveer 3 weken na ontslag
Follow-up
1e en 2e jaar: elk kwartaal
3e jaar – 5e jaar: elk ½ jaar
Anamnese en lichamelijk onderzoek (abdomen, lymfklierstations
hals)
Aanvullende diagnostiek alleen op indicatie.
Keuze van approach
De keuze van de approach is afhankelijk van de Siewert
classificatie:
Type I: carcinoom alleen in oesofagus.
Trans thoracale approach (tenzij het operatie
risico te hoog is).
Type II: GE junctie
tumor of cardia tumor
Trans hiatale approach (tenzij
endosonografisch hoog positieve klieren worden aangetoond; dit is reden om toch
een transthoracale resectie uit te voeren).
Type III: carcinoom van
de proximale maag met (endosonografisch) maximaal 1 cm ingroei in de distale
oesofagus.
Totale maag resectie (zie ook
hoofdstuk 29)
o Hulscher
JB, van Sandick JW, de Boer AG, Wijnhoven BP, Tijssen JG, Fockens P, Stalmeier
PF, ten Kate FJ, van Dekken H, Obertop H, Tilanus HW, van Lanschot JJ. Extended transthoracic
resection compared with limited transhiatal resection
for adenocarcinoma of the esophagus.
N
Engl J Med. 2002 Nov 21;347(21):1662-9.
o Hulscher
JB, van Lanschot JJ. Individualised surgical
treatment of patients with an adenocarcinoma of the
distal oesophagus or gastro-oesophageal junction. Dig Surg.
2005;22(3):130-4.