PAROTIS
Indicatie parotidectomie
Elke
"parotistumor" waarvoor excisiebiopsie is aangewezen.
Principe
Parotischirurgie is in feite
chirurgie van het extratemporale
deel van de
n. facialis. Aldus worden de zenuwtakken van de tumor weggeprepareerd en niet andersom.
Na identificatie van de hoofdstam
centrifugale
dissectie van de plexus intraparotideus ter plekke en gedeeltelijke verwijdering van de klier.
Operatietechniek
< Geen medicamenten toedienen waarmee neuromusculaire prikkeloverdracht gedurende langere tijd wordt geremd.
Hoofd in extensie (kussentje onder de schouders en rolletje
achter de nek) en afgewend naar de
contralaterale zijde. Tafel in anti-Trendelenburg.
< Zo afdekken dat de homolaterale zijde van gelaat
en hals zichtbaar en bereikbaar blijft. Droog gazen propje in de gehoorgang.
< Huidincisie, beginnend
onmiddellijk pre-auriculair vlak boven de tragus en verlopend in een flauwe bocht
iets onder en achter de oorlel in een meer horizontale uitloper in de huidlijnen van de hals caudaal van de rand van de mandibula.
< Mobiliseren
van
huid-subcutislappen. Blijf hierbij vlak op het kapsel
van
de
parotis zodat de perifere zenuwtakken aan de ventrale zijde niet het gevaar lopen te worden doorgesneden.
< De dorsale zijde van de parotis wordt
scherp van de voorrand van de m. sternocleidomastoïdeus en de kraakbenige gehoorgang
losgemaakt.
Hierbij
worden
de
faciale
takken
van
de
n.
auricularis magnus gekliefd en wordt de vena retromandibularis geligeerd
en gekliefd.
< Door
het
craniale deel van de m. sternocleidomastoïdeus naar dorsaal
weg
te houden komt het
subdigastrische gebied in zicht.
Het
overliggende fascieblad wordt geopend (op indicatie
lymfeklieren
verwijderen voor vriescoupe-onderzoek). De n. accessorius, vena jugularis interna
en de achterste buik van de m. digastricus zijn nu goed zichtbaar.
< De hoofdstam van de n. facialis ligt over een afstand van 1 cm 2-3 mm craniaal van de bovenrand
van de spier en in hetzelfde sagittale vlak als de spier (altijd
dieper dan verwacht).
< Op een diepte van 6-8 mm mediaal van het caudale einde van de sulcus ligt de 2-3 mm dikke hoofdstam van de n. facialis, die in dat gebied van dorsaal
naar ventro-caudaal, verloopt.
1 - 1,5 cm verder
naar ventraal vormt de
hoofdstam de bifurcatie.
< Het
"tunnelen": met het mosquito-klemmetje pal op de zenuwtakken blijvend,
wordt steeds eerst een tunneltje gemaakt en daarna geopend.
< Eerst
craniaal de temporofaciale takken vrijleggen, daarna van craniaal naar caudaal werkend
kan de bovenpool worden omgeklapt en de ductus parotideus wordt aan de ventrale
zijde van de klier gekliefd (niet ligeren!).
< Vervolgens
de cervicofaciale takken vrijleggen. Direct caudaal van de r. marginalis wordt opnieuw
de vena retromandibularis gekliefd.
< a) De
onderpool is nu nog in volle dikte
intact en door in dorsocaudale richting tractie op het preparaat
uit te oefenen komt een deel van het pars profunda caudaal van de r. marginalis vrij te liggen. Door
de klier langs deze zenuwtak te klieven, kan het gehele preparaat
worden verwijderd (=subtotale - parotidectomie).
b) Wanneer
de tumor in het pars profunda ligt, worden de zenuwtakken
van de onderlaag afgeprepareerd en voorzichtig opgeheven. Onder continue
lichte tractie aan het preparaat
wordt
het diepe gedeelte uit de omgeving
losgemaakt en samen met de onderpool en pars superficialis
uitgenomen (=totale parotidectomie)
< Controle op het functioneren van de verschillende zenuwtakken
m.b.v. elektrische zenuwstimulator.
< Hemostase.
Spoelen van het operatieterrein met fysiologisch zout.
< Redon uitleiden via een aparte steekopening zodanig dat bij een reïnterventie voor een evt. locaal recidief dit gebied makkelijk samen
met het litteken kan worden
geëxcideerd.
< Intracutaan sluiten of alleen steristrips.